2004
permanent marker op papier
60 x 40 cm elk 
gedicht 3.00 x 1.00 m 

I was walking to the end

I WAS WALKING TO THE END. AND THEN I CAME BACK.

Geef onophoudelijk namen aan de dingen
die je kent.
En verberg je ver in de tuinen
zonder dromen.

Hoe vaak heb je besloten -
de voeten in de aarde geplant
twee vogels in je handen gevangen
een mes tussen je lippen -  te zwijgen.

Ik kwam terug, en nu zit ik hier.
Ik wacht. De tijd doden.
Niet dat ik erop wacht dat de tijd voorbij gaat.
Allerminst wens ik dat de tijd verstrijkt.
Of er zou iets moeten gebeuren.
Geen voorval, of misschien een voorval met invloed,
voor langere tijd.
Een verhaal dat opdoemt.
Een herinnering die opgepakt wil worden. Zoals in een droom.
Ik heb de ramen gesloten.
Beperkt uitzicht naar straatkant.
Eigenlijk word ik door straten omgeven, door het lawaai van auto’s.
Zo heb ik het gewild.
In de verte zie ik boten vertraagd voorbij gaan.
Er zijn erg veel boten.

Geef een gedachte mee
aan de lichte kleur van het water
omdat het regent.
Rode stromen die ik begeleid
totdat het weer tot rust komt.

Dromen van ampere dagen
van amper slot.
Aanwezigheid, één tik, twee tikken
En ik ben bij je.
De ruimte is mooi, de ruimte is groot.
Verlangens om terug te keren.
Geregeld verkeer, witte hand blaast mij omver.
Als ik de betekenis kon grijpen.
Kleine ziel vermaakt zich met tekens.
Dwangarbeid, het lezen in omgekeerde volgorde.
De wegen zijn bezaaid, verzwaarde opdracht.
Het strand op, het water
Omgekeerde volgorde.

En op die nacht leerde ik te springen.
In water losten lichte veren op in onleesbare tekens.
De dag gaf slechts een lege kleur.
Verhaal van nacht en besluipbare wegen .
En altijd weer verliezen.
Onzichtbaar of monumentaal.
Één tik, twee tikken.

Een plaats die verbonden is met geschiedenis, dé geschiedenis van de verte.
Ja dat is mooi.
Evenals de rotonde met rode lichten voor mijn raam.
Ik kijk ernaar, bij toeval, maar bij voorkeur op regenachtige dagen
Als het wegdek glimt in de lichten.
En de auto’s rondcirkelen.
Onverklaarbaar - Zonder elkaar te raken.
Het herinnert mij aan al die lege plaatsen, zonder bestemming.
Een plaats van reizigers.
Ik kijk naar de voetstappen, en altijd herken ik ze weer.
Welke worden vermengd, welke blijven achter.
Dat verbaast me soms.
Zelfs op de lege plaatsen.
De voetstappen in en onder het zand.
Verbazingwekkend wie waar gelopen heeft, gelachen en gehuild.
Maar vooral schreeuwen vragen mijn aandacht.
Zij schijnen belangwekkend te zijn.
In de meeste gevallen ook onbekend.

Eens was er een dag geweest die niet eindigde.
Zoveel later wacht het licht nog.
In lucht maakt vochtig.
Draagt kou met zich mee .
Draag liever een schone jas.
Rook kringelt uit de poriën.
Onverwachte gasten, die slapen in de geur van de bomen.
Hij staart voor zich uit.
Wacht tot het land zal bewegen.
Niets dan glimmende wormen.
Voor zijn huid en zijn ogen.
Van binnen klinkt het nog harder.
Wie stelt de vragen hier!
Schitterende vergezichten in tegenstelling tot vermoeide passen.
Wie hanteert het zwaard!
Bouw mij een nieuwe brug met vleugels  naar het strand.
Wie lacht, wie lacht zo hard.
In mijn oor – ik versta je niet.
Welke levenden die wachten op de dood.
En is de grond zacht genoeg ons te bewaren.
Als wij komen in onze mooiste kleren.
De ogen gesloten de vraag op onze lippen.

Je komt het tegen als je reist, ik loop dan veel.
Er gebeuren veel onverklaarbare dingen,
Er zijn vooral veel geheimen in de straat.
Dat denk ik graag.
Voor sommige mensen is dat zo.
Maar de straten, de een eindigt in de ander.                                              
Er lopen eindeloze patronen, er zijn maar weinig straten die ophouden.

De adem op de ramen, sirenes die rotondes nemen
De lucht vol weerstand, om voorbij te laten gaan.
Om niet te nemen om haastig afscheid te nemen.
Op adem komen en te verwachten.
Om in de regen te lopen op vrijdagmiddagen
Zodat je iets hebt en niets hebt.
Niet nalatende verwachting.
Mallemolens draaien mee en verder en hoger.
Draaien de laan uit en roepen toch.

Ik sta erbuiten.
Ik sta op koude gronden, sta zo speel een standbeeld na.
Een beeld met natte voeten, het hoofd onwillig glurend.
Een uitkijktoren. Ik gebruik uit hoofde van mijn beroep de doorsnede.
Hoofd schuin afgewend, je kent het wel.
Tekens die geven maar uiteindelijk niets achterlaten.

Oh de straten zijn niet mis. Veel heen en weer bewegen, straatstenen tellen.
Je werpt een stiekeme blik.
Nog niemand heeft je gezien.
Wachtwoorden.

Terug gaan, ik ben vaak terug gegaan, maar het helpt niet.
Ik ben namelijk weggegaan.
Eén vooruit, één achteruit, daar heb ik lang over gedaan.
Ik wist het, met weten heeft dit niets van doen.
Dan zou het erg gemakkelijk overkomen.
Je bewandelt een weg, ook met straten heeft dit niets van doen.
Je komt aan op een plaats.
Altijd kom je weer ergens aan als je weggegaan bent.
Het bevalt je en je blijft.
Dit is geen besluit.
Van de ene dag op de andere ben je ergens.
Je loopt wat rond, spreekt mensen aan.
Misschien spreken ze zelfs een andere taal, die leer je dan. Of niet.
Je leest namen van straten, soms klinken ze je bekend in de oren.
Je bent er nooit geweest, niets correspondeert met het beeld.
Nu val je aan, het is nog onbekend. Façades gesloten. De binnenkant.
Je hebt het koud, verlangt nog meer.
Dit is het begin.

We leven met onze geheimen.
Een opstapeling van herinneringen en patronen.
Veel absolute momenten.
Het gaat voorbij.
Er is iets geweest, een leven lang achterhalen.
Geliefd omhulsel, soms herken ik je namen.
Je kent dat wel, je wordt omcirkeld, komt er dichterbij.
Je kijkt in de spiegel, raakt verontrust.
Scheve ogen, de een boven de ander.
Een detail, nog een woord, andere naam.                                               
Iets hoort bij dit omhulsel.

Het is nog donker.
Het regent harder.
Geen jongens die buiten spelen, meisjes fietsen in de regen.
Het water is woest, spat op kale hoofden  zonder hoed.
Onverwacht is het laat in de middag geworden.

Ik stel mij voor ik doe mijn ogen dicht, en luister naar de geluiden van de stad.
Ik zie de lichten rood van rechts, wit van links, aanzwellende storm.
Mooi is dat.
Bewegingkjes op een klein oppervlak.
Je hecht eraan, zit er doodgewoon aan vast.
Veel ramen hier en vergezichten. Altijd wat anders.

Ria Roerdink